Instemmingsrecht OR: wel de regeling, niet de uitvoering

Auteur:Arthur Hol | 14-08-2012 | Share/Bookmark Mail dit artikel
248333

Een vervoersbedrijf ligt in de clinch met zijn ondernemingsraad over een nieuwe werktijdregeling. Het bedrijf verzoekt om vervangende toestemming van de kantonrechter, omdat de ondernemingsraad zijn toestemming heeft onthouden.

0 Flares 0 Flares ×

Een vervoersbedrijf ligt in de clinch met zijn ondernemingsraad over een nieuwe werktijdregeling. Het bedrijf verzoekt om vervangende toestemming van de kantonrechter, omdat de ondernemingsraad zijn toestemming heeft onthouden (op grond van artikel 27 WOR verplicht). De eveneens voorgeschreven bemiddeling door de bedrijfscommissie heeft niets opgeleverd.

De kantonrechter weegt de argumenten van het bedrijf en de ondernemingsraad tegen elkaar af, waarbij de kern van het debat tussen partijen de reikwijdte van het instemmingsrecht van de ondernemingsraad is.
Volgens de OR kunnen de gevolgen van de werktijdregeling voor de betrokken chauffeurs niet goed worden beoordelen, omdat de werkgever geen adequate gegevens heeft verstrekt met betrekking tot:

1) de formatieplanning. Hierdoor is het niet mogelijk is om het aantal werkbare dagen inzichtelijk te krijgen. De ondernemingsraad stelt dat deze informatie essentieel is omdat zo kan worden beoordeeld of er voldoende chauffeurs werkzaam zijn. Indien er niet voldoende chauffeurs zijn, zal de werkdruk voor de chauffeurs toenemen.

2)de voorgenomen (verdere uitbreiding van) inhuur van flexibele arbeidskrachten. Het bedrijf vermeldt steeds niet tijdig op het dienstrooster de gegevens van de diensthebbende chauffeurs. Daarmee handelt de werkgever in strijd met de normen die de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat voorschrijft.

3) de financiële onderbouwing van onder meer uitbestede diensturen en inzicht in de kosten voor de inhuur van flexibele arbeidskrachten.

De kantonrechter overweegt dat de bezwaren van de ondernemingsraad niet de regeling op zichzelf betreffen, maar de uitvoering van de regeling. Het besluit van de werkgever om tot uitvoering van de regeling te komen, valt naar het oordeel van de kantonrechter niet onder het instemmingsrecht van artikel 27 WOR. De reikwijdte van het instemmingrecht wordt hier beperkter uitgelegd dan ondernemingsraden graag zien.

En passant wordt ook een ander punt opgehelderd, dit keer in het voordeel van ondernemimgsraden. ‘De kantonrechter overweegt dat instemming aan een voorgenomen besluit door de ondernemingsraad kan worden onthouden op grond van inhoudelijke bezwaren tegen een regeling als genoemd in artikel 27 WOR.’
De kantonrechter verwerpt het standpunt van de werkgever dat enkel de geldende regelgeving (cao, roosterrichtlijnen en arbeidstijdenwetgeving) relevant is en instemming behoort te volgen als aan die regelgeving is voldaan. Het bedrijf miskent daarbij dat tegen een werktijdregeling ook inhoudelijk bezwaren kunnen bestaan die niet terug te voeren zijn op regelgeving op grond waarvan de ondernemingsraad in redelijkheid zijn instemming kan onthouden. Aan de andere kant betekent een (geringe) schending van regelgeving niet per definitie dat het onthouden van instemming door de ondernemingsraad gerechtvaardigd is.

Kantonrechter Breda 31 juli 2012, LJN: BX3582

Arthur Hol is advocaat bij Stam Advocaten in Naarden directeur van HRM College (http://www.hrmcollege.nl/) en lid van HR Kracht.

 

0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 0 Flares ×
Trefwoord: | |