Lage vergoeding en betaling in termijnen bij ontslag

Auteur:Arthur Hol | 07-08-2012 | Share/Bookmark Mail dit artikel
248333

Een werkgever verkrijgt een ontslagvergunning bij UWV wegens bedrijfseconomische redenen. De daaropvolgende opzegging blijkt echter nietig omdat die strijd is met de CAO Open teelten.

0 Flares 0 Flares ×

Een werkgever die een boomkwekerij exploiteert, besluit haar zogenoemde stekafdeling te sluiten, als gevolg van de sterk teruglopende verkoop. De werkgever verkrijgt een ontslagvergunning bij UWV wegens bedrijfseconomische redenen.

De daaropvolgende opzegging blijkt echter nietig omdat die strijd is met de CAO Open teelten. De werkgever komt hierdoor in tijdnood en verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter, zonder toekenning van enige vergoeding, omdat deze last het failissement van de boomkwekerij tot gevolg zal hebben.

Een van de acht werknemers op de betrokken afdeling is  een steksteekster/oppotter en al arbeidsongeschikt sinds 14 oktober 2011. Zij verweert zich met een beroep op de zogenoemde reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte. Subsidiair verzoekt verzoekt zij om afwikkeling van het dienstverband volgens de kantonrechtersformule ( € 36.028,36 bruto), met het verzoek rekening te houden met de fictieve opzegtermijn, dan wel die te verdisconteren in de ontslagvergoeding.

De kantonrechter honoreert het verzoek om ontbinding per 1 juli 2012. Hierbij overweegt hij dat het beroep op de reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte niet opgaat wegens ontbreken van oorzakelijk verband tussen de ziekte en de beëindiging van het dienstverband.

Verder blijkt volgens de kantonrechter uit de overgelegde stukken en gegevens ‘dat slechts een minimale vergoeding tot de mogelijkheden kan behoren zonder het voortbestaan van de onderneming (verder) in gevaar te brengen' en hij stelt een vergoeding vast van € 7.200,00 bruto (ongeveer C=0,2), waarbij deze in achttien termijnen van € 400,00 bruto mogen worden betaald.

Uit deze uitspraak blijkt dat kantonrechters bereid zijn maatwerk te leveren, door de vergoeding aan te passen aan de mogelijkheden van de werkgever. Dit is in lijn met de aanscherping in 2009 op dat punt in de aanbevelingen van de kring van kantonrechters. Niet alleen door zo nodig op basis van de stukken een zeer lage vergoeding toe te kennen, maar in dit geval ook nog eens door te bepalen dat de vergoeding kan worden betaald in een zeer lange reeks termijnen.

Ook wanneer gebruik maken van een opzegvergunning op grond van bedrijfseconomische redenen niet mogelijk is vanwege het wettelijk opzegverbod  tijdens ziekte, is het toch vaak raadzaam om ook die betrokken medewerker te laten `meelopen` in het ontslagvergunningstraject van de overige medewerkers.
Het is namelijk altijd mogelijk dat ten tijde van het uiteindelijk uitoefenen van de opzegging (binnen twee maanden na verkrijgen van de opzegvergunning) de medewerker niet meer arbeidsongeschikt is. Ook kijkt de kantonrechter, hoewel hij zelfstandig over de bedrijfseconomische noodzaak heeft te oordelen, wel degelijk met meer dan een schuin oog naar het oordeel van UWV – en het zou kunnen dat de betrokken medewerker met andere argumenten die noodzaak bestrijkt dan de overige werknemers.

Kantonrechter Zutphen 26 juni 2012, LJN: BX3553

Mr drs Arthur Hol is advocaat bij Stam Advocaten in Naarden (http://www.stam-advocaten.nl/), directeur van HRM College (http://www.hrmcollege.nl/) en lid van HR Kracht (http://www.hrkracht.nu/)

0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 0 Flares ×
Trefwoord: | |