Uitzondering op de uitzondering

De wet hanteert het beginsel 'geen arbeid, geen loon'. Maar de wet zegt ook dat een werkgever zich hierop niet mag beroepen als het ontbreken van werk voor zijn rekening en risico behoort te komen. Nu mag je in sommige omstandigheden kennelijk weer een uitzondering maken op die uitzondering, mits je dat schriftelijk overeenkomt. Hoe zit dat nu precies?

Deze vragensteller heeft gelijk: het beginsel 'geen arbeid, geen loon' is neergelegd in artikel 7:627 BW. Direct daarna bepaalt artikel 7:628 BW dat er omstandigheden zijn waarin er gewoon geen werk is en waarin dat risico niet op werknemers mag worden afgewenteld. Een paar voorbeelden daarvan passeerden de afgelopen maanden in deze rubriek de revue. Denk bijvoorbeeld aan langdurige vorst, waardoor bouwvakkers bepaalde werkzaamheden niet kunnen verrichten. Je kunt ook denken aan het uitbreken van stakingen bij derden, waardoor bedrijven zonder grondstoffen komen te zitten en niet kunnen produceren. Er zijn nu eenmaal altijd risico's die je moet zien als ondernemersrisico's. 'Geen arbeid, geen loon' gaat dan niet op.

Artikel 7:628 telt vier onderdelen waarin dit wordt uitgewerkt, en zegt dan onder lid 5 dat je hiervan in de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst mag afwijken in het nadeel van de werknemer, mits dit schriftelijk is overeengekomen. En in lid 7 staat dat het ook na zes maanden mogelijk is, maar dan alleen als het is geregeld in een cao of bestuurlijke verordening.

Een belangrijk voorbeeld van een cao waarin dat ook gebeurd is, is de CAO voor Uitzendkrachten van de ABU. Het uitzendwezen heeft op die manier een rechtsgrondslag om uitzendkrachten niet te hoeven betalen als er geen opdrachten zijn, ook na de eerste zes maanden van een arbeidsovereenkomst (namelijk in de hele fase A van een uitzendovereenkomst).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


*